Bergeend

Tadorna tadorna

bergeendDe Bergeenden vormen een soort van overgang tussen de ganzen en de eenden, ze staan vrij hoog op de poten. Bekijken we de schedel van de Bergeend dan zien we een brede, opwippende snavel, wat andere watervogels vaak weer niet hebben. Een snavel als deze komt goed van pas in de natuurlijke omgeving waar deze soort leeft, namelijk aan de kust. Het zijn typische eenden die in zout en brakwater zoeken naar kleine schaal- en weekdieren, maar ze eten ook insecten, zaden en plantendelen. Door zijn opvallende kleed en opgerichte houding is de Bergeend een gemakkelijk waar te nemen vogel. Hoewel ze vaak zwemmen, zitten ze het grootste deel van de tijd op het land, waar ze uitstekend uit de voeten kunnen.

Het wijfje van de Bergeend is iets kleiner en wat minder fraai van kleur dan het mannetje en heeft ook geen knobbel aan de basis van de bovensnavel. Beide geslachten nemen na de ruitrek in juli het eclipskleed aan, een vaak wat valere versie dan het prachtkleed, met wat wit aan de kop en keel en een minder fraai gekleurde borstband.

Alvorens te paren dompelen beide vogels hun kop onder, terwijl het wijfje meteen na de paring gaat baden. De Bergeend broedt over het algemeen vlak bij zee. Het nest ligt meestal in een oud konijnenhol, maar ook wel onder dichte begroeiing van bijvoorbeeld bramen, in holle bomen, tussen rotsblokken. Ze leggen acht tot vijftien roomkleurige eieren die liggen in grijsbruin dons. Alleen het wijfje broedt, hoewel het mannetje in de buurt blijft en als de eieren na 28 tot 30 dagen zijn uitgekomen, helpt bij het bewaken van de schitterende wit-zwarte kuikens. Ligt het nest ver van het water vandaan, dan moet het gezin een riskante tocht daar naartoe maken. Daar verenigen de verschillende broedsels zich onder toezicht van enkele wijfjes, terwijl de andere wijfjes wegtrekken om te gaan ruien. Worden ze aangevallen, dan duiken de kuikens onder, een gedrag dat niet door de volwassen vogels wordt ten toon gespreid. Na ongeveer acht weken zijn ze vliegvlug.

In heel Nederland overwinteren soms tot 65.000 exemplaren, terwijl het aantal bloedparen veel lager ligt, zo rond de 10.000.

Wil Struijs