Behaarde bosmier

Formica rufa

behaarde bosmierNaast de Behaarde bosmier (Formica rufa) bestaat er ook een Kale bosmier (Formica polyctena); beide worden vaak aangeduid als rode bosmier. Ze vertonen enkele kleine verschillen, maar kunnen zich wel met elkaar voortplanten.

Een mierenvolk is heel bijzonder dankzij de hoge mate van samenwerking en taakverdeling in hun mierenmaatschappij. Ze verdelen de arbeid netjes: sommigen zoeken naar eten, anderen ruimen het afval op en weer anderen zorgen voor de larven. En dat alles doen ze zonder een centrale aansturing. De organisatie ligt in het gedrag van de individuele mier.

Communicatie
Om een mierennest te laten functioneren is een communicatiesysteem nodig. Mieren communiceren met elkaar door feromonen die ze achterlaten, aanrakingen en geluiden. Ze vertellen elkaar waar voedsel te vinden is en waarschuwen voor gevaar. Bosmieren weten de weg te vinden door gebruik te maken van de zonnestand.


Gebleken is dat bij dit communicatiesysteem zelfs gebruik gemaakt wordt van stoffen die sterk lijken op neurotransmitters. Er zijn sterke aanwijzingen dat een mierennest functioneert als een soort superbrein, waarbij elke individuele mier als het ware een stukje van de hersenen vormt.

behaarde bosmierKoepelnest
De Behaarde bosmier bouwt een groot nest, een zogenaamd koepelnest. Daarvoor verzamelen ze dennennaalden, kleine takjes en ander organisch materiaal. Bosmieren kunnen nestmateriaal verslepen dat 400 maal zo zwaar is als het diertje zelf. Een deel van het nest ligt bovengronds, een deel ondergronds. De uitgangen worden `s nachts met takjes afgesloten en overdag door schildwachten bewaakt. Het nest kun je vinden door foeragerende werksters te volgen die over de ‘mierenstraten’ op weg zijn naar het nest. Eén bosmierennest kan uit wel 700.000 werksters bestaan.


De nesten van rode bosmieren bevinden zich in het algemeen aan bosranden op zandgronden, waar voldoende zon op de nestkoepels kan vallen. Op die manier kan het nest gemakkelijk op temperatuur worden gehouden; daarnaast verwarmen bosmieren hun nest door middel van spierbewegingen. Vroeg in het voorjaar kan de temperatuur van een koepelnest, tien centimeter onder het oppervlak, al oplopen tot 35°C. Het warmtecentrum van het nest ligt tussen de 25 en 30°C en dit centrum bevindt zich dicht aan het nestoppervlak in het voorjaar tot diep in het nest op zomers warme dagen. Binnen het nest worden de larven en poppen versleept naar de ruimten met de ideale temperatuur en vochtigheid.

Ecosysteem
Rode bosmieren zijn belangrijke soorten in het ecosysteem. Ze hebben vele relaties met andere soorten en hebben zo een groot effect op de biodiversiteit. Ze eten veel ‘schadelijke’ insecten, ze houden de bodem luchtig, zodat planten daar voordeel van hebben en ze verspreiden vele plantenzaden. Deze planten ontwikkelden een voor mieren aantrekkelijk aanhangsel aan hun vruchten of zaden, een zogenaamd mierenbroodje.
Bosmieren verzamelen dode of levende insecten die vooral zijn bedoeld voor de larven. Honingdauw is de belangrijkste voedselbron voor bosmierwerksters. Dit verkrijgen ze door bladluizen te ‘melken’, door met hun voelsprietjes op het achterlijf van de luizen te trommelen.


Wanneer een bosmier wordt bedreigd bijt hij zijn belager met zijn sterke kaken en richt hij daarna zijn achterlijf omhoog om een straaltje mierenzuur in het wondje te spuiten, waarbij het zuur een bijtende pijn veroorzaakt. Een Groene specht is hiervoor ongevoelig en kan ongestoord tekeer gaan in een mierenhoop om zich tegoed te doen aan een portie mieren.

Bronnen: Wikipedia; Dekennisvannu.nl; Mieren.nl ;Beessies.nl; Animamundi.eu

Herma Enthoven