Feb 2021 Rode bosmieren

Rode bosmieren

  Rode bosmieren
Vorige week liep ik vanaf de landbouwweg, die langs de oostzijde van de Kampina loopt, richting de Witte Bergen op Kampina en dat kleine stukje kost me altijd veel tijd. Reden; stoppen bij de vele rode bosmieren koepelhopen / koepelnesten.

Heel veel bedrijvigheid was er niet te zien, want het was ook redelijk koud. Toch zag ik een paar rode bosmieren op een of twee nesten ondanks dat deze koudbloedige dieren niet veel warmte kregen van het schrale zonnetje. We schrijven en zeggen vaak daar heb je de rode bosmieren nesten, maar welke dat wordt vaak niet uitgesproken, terwijl we toch sowieso vier soorten rode bosmieren kennen in Nederland.

Vier soorten
1) behaarde bosmieren, 2) kale bosmieren,  3) zwartrugbosmieren en 4) stronkmieren. Eind jaren tachtig van de 20e eeuw werkte ik bij de provincie en had ik de opdracht rode bosmierennesten in kaart te brengen, omdat ze aan het verdwijnen waren. Debet aan het sterk achteruitgaan van de mierenpopulaties op de zandgronden was de zure regen. Begin van deze eeuw ging het langzaam aan beter met de rode bosmieren in de Brabantse bosgebieden, maar bedreiging ligt om de hoek. De te hoge stikstofneerslag kan funest zijn voor de nesten, maar ook de afname van het aantal luizen in de bomen kan een oorzaak zijn. Deze mieren leven onder andere van de honingdauw, zoetstof die de luizen afscheiden. 

Behaarde rode bosmier
De naam heeft deze mier vooral te danken aan de vele opstaande haren op de bovenzijde van het voorste deel van het borststuk. De behaarde rode bosmier werksters zijn vrij groot gebouwd met een maximum van 9 mm. Verder hebben deze werksters een tweekleurig kop, te weten een roodbruin deel en een ander deel is donkerder van kleur. Daarnaast is het borststuk roodbruin en het achterlijf donkerrood. Deze soort heeft vaak solitaire nesten en dat heeft te maken met het feit dat de bevruchte koninginnen zich na de bruidsvlucht verspreiden. Op die nieuwe plek gaan ze dan een nieuw koepelnest maken. Toch zijn er ook locaties bij waar door nestafsplitsing ook nieuwe nestkoepels ontstaan. Van de vier soorten is de behaarde rode bosmier de meest algemene. Je komt deze soort het meest tegen op de zandgronden dus ook  langs de hele kust en op de eilanden.

 Kale rode bosmier

Kale rode bosmier


De naam kale bosmier klopt niet altijd, want de bovenzijde van het voorste deel van het borststuk kan staande haren hebben, maar kan ook kaal zijn. Daarnaast hebben de werksters ook een tweekleurige kop, zie beschrijving behaarde rode bosmier. Tevens is van deze mierensoort het borststuk en het achterlijf hetzelfde gekleurd als van de behaarde. Kortom; vaak dus moeilijk te onderscheiden met welke soort je te doen hebt. Je kunt je dan ook voorstellen, dat er rode bosmierenpopulaties voorkomen met rode bosmieren die kenmerken van beide genoemde soorten hebben. Wat wel anders is, is dat de bevruchte koninginnen na de paring weer in het oude nest worden opgenomen. Die paringen vinden dan ook vaak dichtbij het oude nest plaats. Er zijn dus bij de kale rode bosmieren meestal meerdere koninginnen actief en dat betekent ook dat zo’n nest flink kan groeien. Afsplitsingen vinden alleen plaats bij een teveel aan werkster. Hierdoor komen er dus meerdere koepelnesten vlak naast elkaar te liggen. Je kunt de nestkoepels van deze mierensoort gemakkelijk vinden langs bosranden of -paden en ze vormen dus een grote kolonie. Deze soort komt algemeen voor op de zandgronden, maar langs de kust minder wijd verspreid en ontbreekt op een paar Waddeneilanden.

Zwartrugbosmier
Deze mier heeft de naam vooral te danken aan de opvallend zwarte vlek boven op het borststuk. Ook deze mierensoort kent vrij grote werksters met wederom een maximale lengte van 9 mm. Zie voor omschrijving van de kleuren van kop, borststuk en achterlijf de beide hiervoor beschreven soorten. Wat heel duidelijk anders is, is de beharing. Op de kop staan heel veel staande haren en ook het borststuk heeft veel staande haren op de bovenzijde. Bij deze soort zijn de nestkoepels heel bijzonder, ze zijn namelijk veel platter dan bij beide andere soorten. Je treft die nestkoepel meestal aan in een brede en vlakke krater met opgehoogde randen en het nest zelf heeft dus een vlakke bult. In de nestkoepel leeft over het algemeen maar één koningin. Ook deze soort is algemeen op de zandgronden, maar komt niet voor aan de kust en op de Waddeneilanden.

Stronkmier

StronkmierDe laatste soort van de vier is de stronkmier, maar die zullen we in Brabant niet tegenkomen. Het is namelijk de zeldzaamste bosmierensoort van Nederland en je komt ze enkel tegen in de omgeving van Ommen, Overijsel. In principe komen stronkmieren voor in berggebieden en in het noorden van Europa. Ook van deze mierensoort worden de werksters maximaal 9 mm groot, maar voor de rest zijn ze totaal anders. Stronkmieren zijn helemaal rood van kleur en hebben een heel sterke beharing op zowel het achterlijf, het borststuk en de kop. De nestkoepels van de stronkmieren zijn niet zo fraai als die van de andere drie rode bosmiersoorten en is er maar één koningin op het nest. Je ziet in Ommen over het gehele gebied enkele verspreid liggende solitaire nestkoepels. 

Tot slot
Veel mensen weten niet hoe belangrijk rode bosmieren zijn in het leefgebied waar zij hun nesten hebben. Zij zorgen voor een goede balans in de insectenwereld, doordat zij veel insecten buitmaken. Mochten er plotseling plagen ontstaan van bepaalde insecten, dan beperken zij die plagen. Daarnaast herbergen rode bosmieren in hun nesten veel soorten dieren waardoor zij een positief effect leveren aan de biodiversiteit in zo’n bosgemeenschap. Kortom; rode bosmieren zijn zeer nuttig. Laat ze met rust.

Foto's: Frans Kapteijns
Bron info; internet.