2 juni 2017 St Martensberg

St. Martensberg

De plantenwerkgroep beklom op een warme vrijdagochtend de St Martensberg op de Oostelbeerse Heide. Het leek ons een goede gelegenheid om het Geintegreerde Bosbeheer dat de gemeente daar laat uitvoeren door de Bosgroep Zuid eens van dichtbij te bekijken. Nog daargelaten dat we zeer benieuwd waren naar de kwaliteit van deze berg: hadden we niet zojuist de bergbeklimmers van de Giro d'Italia bewonderd?

Deze vorm van beheer gaat uit van het drieledig gebruik van onze bossen, nl. recreatie, natuur en houtwinning. Een voorbeeld daarvan zagen we al meteen na de start van de wandeling: een bosrand was gekapt maar enkele zomereiken waren gebleven. Deze hadden een blauwe stip: teken van overblijven voor de toekomst. In de rand zagen we veel struiken zoals gaspeldoorn, bloeiende planten zoals rankende helmbloem en kleine leeuwentand en legio zaailingen van diverse dennen. Hier kwam de zon tot op de bodem en er was dus ook veel activiteit van bosmieren, graafbijtjes, mierenleeuwen en ja echt: we bestudeerden een grote veldkrekel. Die hadden we al gehoord, maar nu ook gespot! Talloze holletjes in het zand duidden op bewoning door meer insecten en spinnen dan deze plantenwerkgroep verder bedenken kon.

Hier ontstond dus een mooie overgang van pad naar boszoom naar struiklaag, naar bomenlaag waar veel dieren hun biotoop hadden gevonden.

Een perceel verderop zagen we dennen met als het ware witbesneeuwde stammen.  weymouthdenDaartussen het kenmerkende oranjeroodbruin van grove dennen (twee naalden bijeen). Dichterbij gekomen leek het wel zachte witte  beharing van de stammen van deze Weymouthdennen (vijf naalden bijeen). Veel van deze dennen hadden een oranje stip: teken van aanstaande rooiing. Thuis opgezocht bleek dit het werk van de Weymouthwolluis die 'bastzuiger' genoemd wordt. Deze luis tast de gezondheid van de den aan en mede daarom worden deze bomen dus opgeruimd. Dit perceel zal dus straks veel open plekken hebben waar nieuwe begroeiing een kans krijgt en de natuurwaarden zullen toenemen.

We zagen enkele zeedennen (blauwe stip) met fris jong schot (twee lange naalden bijeen, supergrote kegels) en wat lariks (ook dode exemplaren) en toen waren we op de open hei. In de verte herinnerde een ronkende legerhelikopter ons aan het feit dat dit militair oefenterrein is. We doken een holle zandweg in en zagen opeens aan onze linkerhand de berg! Todor kreeg meteen Gipfelfieber en leidde ons in de richting van de top van deze zandbult. En toen, voordat we er aankwamen, hoorden we kwaken en stonden we ineens voor een grote diepe poel of ven. We daalden af, verbaasden ons over de omvang, de vele waterlelies waterlelies, de waterhoeveelheid (al maanden geen regen, immers) en toen werden onze voeten overspoeld door kleine kikkertjes: sta stil, want je trapt erop! Ze zwermden uit het water de kant op, onze kant op. Duidelijk ditjarigen, eentje nog met staart. Deze donkere kikkertjes (welke precies is lastig bij groene) trokken zich ook weer terug in het water en we bekeken de oever met o.a. zaailingen van Gewone waternavel.

Verder naar de bergtop van waaruit we overzicht hadden over dit deels zeer zandige maar open heidegebied. Het werd er bijgevolg erg warm en we besloten de bosrand met zijn schaduwwerping weer op te zoeken. Hier gonsde het van de bijen op de bloeiende vuilbomen. We trokken door het rulle zand van de bospaden een omtrekkende route weer naar het startpunt van de tocht en feliciteerden elkaar met een geslaagde wandeling waarbij we van alles wat hadden gezien.

Elly Pouwels

Coördinator plantenwerkgroep