IVN Nuenen
Vogels
donderdag01okt2020

Gefladder: Trektellen

Roy van der Velden, coördinator van de Vogelwerkgroep, schrijft regelmatig een column over vogels.

“Ik hoor een tjup.”
“Ja, ik hoor ‘m ook…”
“Ik hoor er trouwens ook kieeep tussendoor.”

Dat is zo ongeveer hoe een gesprek tussen fanatieke vogelaars in het najaar gaat. En dan zijn we verbaasd dat sommige mensen maar raar naar onze hobby kijken?

Ieder najaar sta ik samen met een aantal andere leden van de Vogelwerkgroep op een zandpad in de buurt van het Wilhelminakanaal om naar de vogeltrek te kijken. Een prachtig fenomeen. Dat kijken moet je daarbij niet te letterlijk nemen. Het is vooral heel goed luisteren en nauwgezet de lucht afspeuren naar vliegende vogeltjes. Vaak wordt gedacht dat alle trekvogels zich eenvoudig laten zien en in schitterende V-formatie overvliegen, maar niets is minder waar. Het zijn namelijk niet alleen de grote vogels die op trek gaan. Ook kleintjes als de roodborst en groenling maken de reis naar het zuiden. En in V-formatie vliegen de meeste vogels al helemaal niet. Dat doen alleen de grote jongens, zoals kolganzen. Veel vaker zijn het losse groepjes van slechts een paar vogels tot grotere groepen tot meer dan 100 stuks.

Luisteren is daarom zeker zo belangrijk. Bijna ieder vogeltje maakt tijdens de trek naar het warme zuiden namelijk een ander geluidje. Ervaren vogelaars herkennen die geluidjes direct en weten dan welk vogeltje in de buurt overvliegt. En dan is het de lucht afzoeken naar waar de vogels als kleine stipjes voorbij komen. Als het bewolkt is, is dat makkelijker dan wanneer de lucht strak blauw is. Bij bewolking vliegen de trekkers namelijk lager en zijn ze eerder te zien. Bij blauwe lucht vliegen ze veel hoger en dan wordt het vinden een hele uitdaging. Een schittering in het zonlicht kan al een vleugelslag zijn.

Sommigen zijn heel bedreven in het vinden van die kleine rakkers op reis. Anderen, zoals ik, moeten daarvoor veel meer moeite doen (en missen dan ook nog wel eens wat). De beloning is echter groot als je een groepje in de lucht weet te ontdekken. Onvoorstelbaar dat die kleine beestjes afstanden afleggen van meer dan 1.000 kilometer!

Een ander gesprek tussen trektellers is het najaar:

“Ik tel er 33!”
“Nee joh, het zijn er veel meer. Zeker 35!”
“Ik wil niet rot doen, maar ik zit momenteel al op 40!”

Het tellen van het aantal vogels dat passeert, is ook een heel gedoe. Dat geeft altijd reden tot gesprek. De regel die wij hebben, is dat we elkaar niet het aantal betwisten dat geteld wordt. Het is namelijk bekend dat je eerder te weinig dan te veel telt. En probeer het maar eens, het tellen van vogels in de vlucht die met een noodgang langs komen vliegen. Dat valt niet mee! Ik ben meestal degene die op een krukje naast de tellers zit en noteert welke vogels er in welke aantallen over zijn gekomen. Onze resultaten kun je vinden op de website Trektellen.nl. Zoek er naar de Breugelse Beemden.

O ja, over welke vogels ging het gesprekje waar ik mee begon? Het antwoord vertel ik je in de volgende column.