2022 04 Stadse vogels, Gert Jan Roebersen

Stadse vogels: kleine mantel-, zilver- en kokmeeuw

Er sommige vogelsoorten is een stedelijke omgeving aantrekkelijk als leefgebied. Als menselijke aanwezigheid zorgt voor extra voedsel en voldoende beschutting, dan weten deze vogels de stad te vinden. Voorbeelden zijn meeuwen, die vanaf de kusten steeds verder het binnenland zijn ingedrongen.

Veel voorkomende meeuwen zijn de zilvermeeuw en kleine mantelmeeuw. Zij zijn ongeveer even groot, 55 tot 65 cm lang. De zilvermeeuw heeft lichtgrijze vleugels en roze poten; de kleine mantelmeeuw zwarte vleugels en gele poten. Beide soorten hebben een gele ‘haaksnavel’ met een rode vlek. De roep klinkt als ‘klieuw’, hoger bij de zilvermeeuw dan bij de kleine mantelmeeuw. De zeldzamere grote mantelmeeuw is aanzienlijk groter, de kokmeeuw juist kleiner, ongeveer 40 cm.

Jonge exemplaren van beide soorten kunnen zelfs ervaren vogelaars in verwarring brengen. Zij zijn ongeveer even groot als de volwassen meeuwen, maar hebben een bruingrijs verenkleed en een zwarte snavel tot en met hun derde levensjaar. Van jaar tot jaar wordt de vogel wat minder bruin, met veel onderlinge variatie.

40 jaar geleden kwam de zilvermeeuw het meest voor; de kleine mantelmeeuw zag je vooral aan de kust. Nu is de kleine mantelmeeuw van beide het meest aanwezig in stedelijke omgevingen, vooral ’s winters.

Volgens de Vogelatlas van Nederland is de zilvermeeuw gezakt van 60.000 broedparen omstreeks 1985 naar 40.000 broedparen in 2015. De oorzaken hiervan zijn niet duidelijk. De kleine mantelmeeuw heeft in dezelfde periode een spectaculaire groei doorgemaakt: van 20.000 naar 100.000 broedparen. Beide soorten broeden overigens vooral dichtbij de kust, zoals in de duinen.

Het talrijkst is echter de kokmeeuw met omstreeks 115.000 broedparen; in de vorige eeuw waren dat er nog meer. Kokmeeuwen broeden ook verder in het binnenland, zoals in het Leersumse Veld. De kokmeeuw is gemakkelijk herkenbaar aan de grijze vleugel en felrode snavel en poten. In de zomer heeft hij een chocoladebruine kop; ’s winters een zwarte vlek op de oren, lijkend op een koptelefoontje.

Meeuwen zijn niet kieskeurig wat betreft voedsel, en daarom biedt het leven in de stad voordelen. Zij komen af op vuilnisbelten en -bakken, maar ook op brood dat voor eendjes wordt gestrooid (soms pakken zij het uit de lucht). Berucht zijn zij als bezoekers van patat- en viskramen: een onoplettende eter kan zomaar van zijn broodje vis beroofd worden!

Gert-Jan Roebersen
Natuurgids IVN Amstelveen

Het is verboden deze column te dupliceren of te gebruiken zonder uitdrukkelijke toestemming van de schrijver/fotograaf/tekena(a)res.