Hoogeveen
IVN
woensdag17jul2019

Inkijk in het leven van een dood ding

Hij stond al bijna dertig jaar op mijn werkplek en vaak keek ik er in; niet zelden met twijfel, ongeduld, ongeloof of tweestrijd. Ik noemde het dikwijls “mijn kijkglassie”. De dure heren van Leica (nieuwe naam van Leitz) zullen wel misnoegd hun hoofd schudden over deze scheldnaam. Het begon in 1967, de tijd dat sommige mycologen nog werkten met een klein koperen microscoopje; mijn chef Dr. Jan J. Barkman had eindelijk geld gekregen voor een echte goede microscoop, een Leitz Laborlux. Dat was nog eens wat anders dan de Spencer waar Ab Masselink schele hoofdpijn van kreeg. Ik had hem ook al geprobeerd maar keek dikwijls via het spiegeltje hoe de tuinman het gras maaide.

Destijds was dit het nieuwste. Met deze mic’ heeft Barkman zijn paddenstoelenkunde geleerd met de nodige hulp uit Leiden want zonder hulp redt niemand dat. Jarenlang stond het op de werktafel van Jan en passeerden duizenden paddenstoel-preparaatjes het 40x- en 100x objectief. Mosklokjes, Mycena’s, Ridderzwammen, Schijnridder-zwammen, enz. Totdat, jaren later, ook studenten en promovendi een mic’ nodig hadden en Leitz met nieuwe, betere modellen kwam. Bovendien kregen we een aantal redelijk bruikbare studentenmicroscopen bijna gratis. Een drukke tijd brak aan met diverse practica en onderzoekjes. De oude mic’ kwam op mijn werkplek waarmee ik vele korstzwammetjes kon bekijken en daar bleef hij behalve als hij elders nodig was en dat gebeurde dikwijls.

Aangezien dit de enige goede was die bovendien in een kist paste ging hij mee naar de Luneburger Heide, Denemarken, Zweden, Polen en ‘last but not least’ Spitsbergen. De kist was eigenlijk wat te groot voor de Opel Corsa en de kofferbak zat al vol met koffers en boeken en niet te vergeten Barkmans Tilzitter stinkkaas. Met de wind mee haalde de auto toch nog 110 km/u.

In Oost-Duitsland moest er eens, in verband met het dominerend partijbelang, een zogenaamde ‘gids’ mee. Ze zat tussen ons in op de handrem toen we naar Hiddensee (Rügen) reisden. Ze zat wel comfortabel zei ze, met een verontschuldigend lachje. Ik moest rijden; de auto was zwaar en de wegen waren heuvelachtig, onoverzichtelijk en glad door de bietenoogst met af en toe trekkers zonder haast en de veerboot zou spoedig afvaren. En de knie van onze dame zat gevaarlijk dicht bij de versnellingspook. Het mag een wonder heten dat er geen ‘clash’ plaatsvond; reed er een bewaarengel mee?

De reis naar Spitsbergen was een andere happening. Gelukkig was Leo Jalink deze keer Barkmans compagnon. Per vliegtuig naar het hoge noorden ging nog, maar voor het reizen per boot en roeiboot was de kist toch wel wat onhandig. Bij het overladen ging onze kostbaarheid bijna kopje onder. In de (Nederlandse) werk- en woonschuur moest men zich met weinig behelpen. Voor het microscopiseren had ik een grote voorraad waxinelichtjes ingepakt. Er behoorde net als vroeger een spiegeltje bij het apparaat en met hulp van een aantal lichtjes kwam er toch nog voldoende licht door de condensor. Zo zie je maar weer; oude apparatuur heeft ook zo z’n voordelen.

Tot de sluiting van het Biologisch Station en ver daarna zijn al mijn korstzwammen op deze mic’ gepasseerd. Het is een ouwe trouwe met nog steeds een respectabele vergroting en zuivere weergave. Ik ben er mee vergroeid, ook in de jaren vanaf 1990 in Hoogeveen. Het verhaal is nu (2019) nog niet af, maar ik zocht wat meer gebruiksgemak. Ik had nog een aantal oude lenzen (Leitz en Zeiss) en mijn lieve collega Annelies kon mij bij het vinden van een alternatief helpen. En zo geschiedde; ik heb nu een andere Leitz en in plaats van een olieimmersie zit er nu een droge 60x in de revolver. Voor het reizen is een klein microscoopje nu van alle gemakken voorzien. Ik mag van Joop Microscoop geen zware kisten meer de trap op en af zeulen; vandaar................ Ik kan nu gewoon verder ook als het even wat moeilijk wordt.

Bernhard de Vries