Instituut voor natuureducatie en duurzaamheid

Bernhard de Vries - Verhalen en anekdotes

Algemene oranje roest
Het is mei en dus tijd voor kleine dingetjes. Grote zwammen moeten na de winter eerst op krachten komen. De kleine profiteren van kleine natte halfverteerde plekjes en van blaadjes die nog jong en teer zijn. De algemene oranje roest zit op tweenaaldige dennen en op allerlei kruiden zoals klein hoefblad. Het dingetje valt niet op, maar de vinder Henk Pras heeft een fijne neus voor klein spul. Hij kweekt ze ook; zijn tuin is zo langzamerhand een natuurmonument voor kleine zwammetjes. Maar deze roest past niet in zijn terrarium; het heeft een levende denneboom nodig en klein hoefblad. Hoe klein ook; toch vraagt het bijzondere voorwaarden om te kunnen groeien; een pietepeuterig klein priegelig dingetje dat specifieke eisen heeft.
Heeft u zich al eens afgevraagd hoeveel specifieke omstandigheden wij mensen nodig hebben om een “acceptabel” leven te leiden?

Een reden voor bescheidenheid misschien….?

IVN Hoogeveen Algemene roestKerst-oesterzwam
De foto bij dit stukje heeft Bart Pijper gemaakt. Hij vond dit zeldzame moois in Kremboongbos. Eigenlijk heeft het niets te maken met kerst en heet het heel gewoon oranje oesterzwam. Ik heb alle boeken door gekeken maar er is helemaal geen kerstzwam of kerstklokje of engelenhaar of jozefbaard. Eens had ik de gelegenheid om iets van kerst in de mycologie te laten doorklinken. Wat denkt u van “Kerstkorstje”? Het heeft sterretjes en kerstballen; wat wil je nog meer? Het werd een lange nuchtere naam: “Kristalstertandjeszwam” Jammer he!
Bij de groene planten hebben we meer: lievevrouwebedstro, heiligenbloem, madonnalelie en mariadistel. De laatste vind ik misplaatst, de plant is behoorlijk stekelig en dus bepaald niet geliefd. Wat die lelie betreft; de madonnalelie was er eerder dan het omstreden popidool maar de verblindende witte onschuld van de bloem is overduidelijk. De bekendste naam van alle planten vind ik ook de leukste ondanks alle misverstanden over dit geliefde gewas: de gewone kerstboom.   

De Keizerskroon
Er was eens . . . een Keizer. Die Keizer herkende men aan zijn kroon; zo hoort dat. De mensen vonden dat prima want dat geeft rust en welvaart in het rijk. Ze bogen dus voor hem en juichten hem toe. Er werd zelfs een plant naar hem genoemd de “Keizerskroon”. Prachtig was die en zo bijzonder dat iedereen hem wilde hebben. En zo geschiedde. De tuincentra verkochten de duurgeprijsde bollen maar al te graag en in elke tuin prijkte het meegeleverde etiket als een kleurige belofte. Het werd voorjaar en de bladerkransen trotseerden de nachteliijke kou. In mei werd het warmer en feestelijk fladderden vlinders en bromden bijtjes. Ongemerkt kwamen ook kevertjes wantsen en . . . het leliehaantje, aangetrokken door een sterke geur. Het helderrode beestje vond een rijkgedekte tafel en kon korte tijd later zelfs zorgen voor nageslacht. Bijna bloeide de keizerskroon met een fraaie bloemenkrans toen een hongerige haantjesfamilie zich tegoed deed aan de plant. Gaten en lelijk aangevreten bloemen waren het resultaat. Vergeefs trachtten velen de vlugge beestjes te vangen en merkten duidelijk: de plant; hij stinkt!!!
De stengel bleef kaalgevreten staan zonder zijn groene kleren aan.
Sindsdien weten we:
Zelfs keizerlijke schoonheid en macht stinken vaak zeer verdacht.

Muggen
Wat een zomertje toch, vindt u niet? Lekker warm, genoeg groente in de tuin om uit te delen en mooi fiets- en wandelweer. En bijna geen muggen ‘s nachts (in Groningen heten ze neefjes). Ons muskietennet hebben we maar een paar nachten nodig gehad. Overdag ben ik maar eenmaal in de heide belaagd door een zwerm dazen en wespen hebben we niet onder de dakbedekking gehad. Heeft u trouwens in de tuin vlinders gezien en hommels? Wij mensen vinden het al gauw prima zo; het went snel. Toch overvalt mij soms een vreemde ongerustheid en de duistere woorden “silent spring” dienen zich aan. Hebben de vogels en vleermuizen genoeg insekten kunnen eten? Ik hoop nu maar dat het volgend jaar weer normaal zal zijn met genoeg vlinders in onze vlinderstruik en hommels in ons mezenkastje. Dan maar weer slapen onder het vertrouwde gaas en buiten af en toe een prik.

Een bijzonder franjekelkje
Zoals wel vaker gebeurt, vond ik een vraagje in mijn mailbox: weet u wat dit is? Een foto er bij en dat is het. Dingetjes als deze kan men niet zonder microscoop op naam brengen en dan kan mijn antwoord kort zijn (ontkennend). Maar deze keer gaf de vrager (Kees Boele) een suggestie: “een Lachnellula?” En dan wordt het dus serieus. Op mijn verzoek toog Kees opnieuw naar het klaphekje van Kniphorstbos en pulkte met het gevaar vingers te verliezen een paar exemplaren van het harde taaie hout. Onder de microscoop leek het mij inderdaad een Lachnellula. Het leek echt zo!! En dus zou het hekje wel van naaldhout zijn. Maar nadat ook Stip Helleman (onze specialist voor franjekelkjes) het gezien had bleek het toch anders te zijn: geen Lachnellula maar een Neodasyscypha (wasgeel franjekelkje). En dat was geen algemeen dingetje en bovendien zit die altijd op loofhout. Dan had de boswachter dus toch gelijk toen die na allerlei vraagrondes zei dat het beuk of kastanje was. En zo kwam het dat er alweer een soort aan de Drentse lijst werd toegevoegd. Achtste vondst van Nederland en nieuw voor Noord-Nederland.
Alle franjekelkjes, een zeer grote groep, zijn fraai versierd met kleine haartjes. De term “versierd” komt in het verband van de mycologie van de slijmzwammen specialiste mw Nanninga-Bremekamp. Ik koester die term want het geeft ruimte aan het mysterie van de onnutte en verborgen schoonheid.

Franjekelkje IVN HoogeveenMeeldauw
Meeldauw heeft weinig te maken met meel of dauw. Hoogstens lijken de planten die besmet zijn, bedauwd met meel. De bladeren kunnen soms zo dik onder de schimmel zitten dat het in de avondschemer lijkt of de eiken wit bloeien. Meeldauw kennen we allemaal van de vroegste spinazie tot de laatste eiken en alle planten, struiken en bomen daartussen. Elke plant heeft zijn eigen soort meeldauw. Verschillen ze dan? Ja. De duidelijkste kenmerken van de echte meeldauwen verschijnen soms pas tegen de tijd dat de bladeren vallen. Op de witte schimmel verschijnen dan heel kleine bleke bolletjes die later donkerbruin worden (zie afbeelding). De buitenkant van die bolletjes is versierd met uitsteekseltjes die verschillen per soort. In die bolletjes zitten minuscule zakjes en in elk zakje zitten nog kleinere spoortjes. Valse meeldauwen zitten meest alleen op de onderzijde van het blad en vormen ongeslachtelijke conidiën en geen mooi versierde bolletjes.
Als u dus meeldauw hebt op uw krentenboompje, dan dreigt voor uw mooie dahlia daarnaast nog geen gevaar want elk heeft zo zijn eigen meeldauw-parasiet.
Als u toevallig eens mooie zwarte spikkeltjes in de meeldauw ziet; kijk eens door een microscoop. Een wondere wereld gaat voor u open.

Meeldauw IVN HoogeveenDroomeiland
Bijgaand plaatje zou een eilandje in de stille oceaan kunnen zijn; palmbomen en kokosnoten. Vaak zien we wat we willen zien en is het ver van de werkelijkheid. In feite komt het plaatje niet van ver maar van heel dichtbij. Als u eens gaat wandelen op de oude begraafplaats dan vindt u tussen de scheefgezakte zerken ook betonplaten met een randje van tegeltjes. Oorspronkelijk behoorde daar mooi wit grint te liggen maar intussen ligt er een mostapijt in. In dat tapijt ziet u dan een mossoort er bovenuit steken. En als u van dat mos eens een sprietje oppakt dan lijkt dat wel op een boompje. Het is boompjesmos, een soort van voedselarme vochtige graslanden en . . . . van oude begraafplaatsen. Op de betonplaten verzamelt zich wat water en dat is net genoeg voor dat mosje.
Het idee van een tropisch eiland met palmbomen wekt ons verlangen naar puurheid en zogenaamd “ultiem” geluk en in de vakantiefolders wordt daar handig gebruik van gemaakt. Er zijn mensen die voor hun leven een droomeiland maken. Ze verlangen meer van hun leven dan redelijk is en daar komt narigheid van. Wie het onderste uit de kan wil hebben (rupsje nooitgenoeg) krijgt de deksel op zijn neus. Bijgaand plaatje toont mosjes op een oude grafsteen, niet meer en niet minder, heel gewoon en toch mooi genoeg..

Droomeiland IVN HoogeveenIn de krant?
Het was in november. De weerberichten voorspelden de eerste vorst.
Mycologen krijgen dan de kriebels; ongeveer als vrouwen op de laatste middag van de uitverkoop. Ik had nog zo veel willen doen. Op zondagmiddag verleidde ik vrouw, schoonzus en zwager om even het Sterrebos van Frederiksoord rond te lopen. We waren er al lange tijd niet geweest, deze speeltuin van mijn betere helft in jonge jaren. Het doel was het bekijken van oude beuken die royaal met mos begroeid zijn waarop, onlangs gezien, dikwijls iets leuks groeit. Het ging om een heel klein schelpje dat leeft van mos; het mosschelpje. (zie figuur: Sp=sporen, Bas=sporendrager, Haren zitten op de buitenkant) Deze mosschelpjes zijn omgeven door een wit zwamdraden-heksenkringetje van één tot twee decimeter en zijn dus gemakkelijk te vinden. Na tientallen oude beuken vergeefs gezien te hebben, kwamen we in een dichter en vochtiger bos-gedeelte. Daar was het raak. Op verschillende plaatsen kon ik iets verzamelen. Dichtbij zagen we een jong gezin rond een stuk dood hout met gewone zwavelkopjes. Pa in kwestie was gewapend met mobieltje-met-camera. Ik attendeerde hem op mijn mosschelpjes en deelde hem over-enthousiast mee dat dit priegeltje zeer zeldzaam was en dat deze vondst nieuw was voor Drenthe. “Bel de krant maar op...!”
Een maand later bleek dat de soort al op 24 sept 2011 gevonden was in het Mensinghebos bij Roden. Omstreeks kerst vonden we het dingetje op vele beuken in de hoofdlaan van boswachterij Ruinen en op de site van “Waarneming.nl” komt de naam dit jaar veelvuldig voor. Hoezo zeldzaam? Gelukkig heb ik geen krantenkoppen gezien met kreten als  “NIEUW SCHELPJE GEVONDEN”.
Wacht u dus voor mooie praatjes van over-enthousiaste vreemde heren.

Mosschelpje IVN HoogeveenBrandnetel
Er is weer iets klaar gekomen. U kunt het zien; de tekening van een brandnetel en figuurtjes daar omheen.
Een mevrouw uit Overijssel was er vandaag erg blij mee, ze moet binnenkort een verhaal houden over alles wat met en rondom de brandnetel gebeurt. En dat is nogal wat: het verhaal van de stikstofovermaat in de bodem, de snelle turn-over van plaatselijk bodemleven, de vele vlinders die de plant een plekje biedt, de vogels die er onder broeden en dan van mijn kant de kleine zwammetjes (zie tekening).
De brandnetel is een cultuurvolger d.w.z. dat het groeit in het voetspoor van de mens. Eigenlijk komt het er dus op neer dat ons gedrag van het kwistig rondstrooien met meststoffen en het achterlaten van te veel bodemverrijkend afval naast verlies van kostbare voedselarme natuur ook een belangrijke keerzijde heeft.
Als uw buurman de tuin vol heeft met brandnetels dan bent u daar vast niet blij mee. De planten zijn bepaald niet geliefd; verschoppelingen! 
Sommige mensen ook; die worden nu in Griekenland door ultra-rechtse bruinhemden het land uit gepest met molotov-coctails. Arme drommels, die Afrikanen, cultuurvolgers gevlucht voor droogte, armoede en dictatuur; verschoppelingen! Zo kan en moet het niet.
Zult u geduld hebben met uw buurman?

Brandnetel IVN HoogeveenAppelmoes
Buurvrouw Corrie had een pot appelmoes vergeten af te sluiten. Ze kwam bij mij met een dekseltje met daarin een kleurig tuintje; witte, gele, oranje, bruine, grijze en groene schimmelvlekjes op een ingedroogd plakje appelmoes.
"Jij doet aan schimmels hè? Hoe vind je dit?". "Ja mooi; 't is een groep waar ik heel weinig van weet, moet ik er naar kijken?"
Het dekseltje met het kleurrijke micronatuurmonumentje belandt op de plank om te drogen; uitstel van executie. Zullen het verschillende soorten zijn op dat kleine beetje appelprut?
Een paar dagen later moet het toch even gebeuren; van wit tot geel en bruin tot zwart moeten even onder de microscoop. Wat schetst mijn verwondering, dit veelkleurig gezelschap is een en dezelfde soort. Alleen de groeistadia verschillen. De ruwe sporen zijn min of meer gekleurd en worden gevormd en gedragen door een handvormig orgaantje. De schimmeldraden zwellen soms op...
En dan komt het zoeken, zoeken wat zal het zijn. Twee boeken wijzen naar het geslacht Aspergillus. Googelen leert mij dat deze schimmelgroep inderdaad op appelmoes voorkomt; maar ook dat er soorten gevaarlijk kunnen zijn voor verzwakte patiënten en mensen met allergie.
Ondertussen zit het kleurrijke plakje veilig in een zakje. De kleuren corresponderen met die van het boekje over kleurrijk Hoogeveen. Een stille hint?
Schimmels lijken op mensen: meer gelijk dan we dachten, kleurrijk, vaak gezellig bij elkaar en... ze lusten appelmoes.

Appelmoes IVN HoogeveenDe Snoek
Het was bij Groningen omstreeks 1950 aan de Peizerweg.
Weiland en ruimte was nog rondom; voor ons kruiste een waterloopje de weg die we gemakshalve Peizerdiep noemden (het was het Eelderdiep) en langs de brede wegbermen slootjes. Het water van de slootjes was zo helder dat we dachten dat je het drinken kon.
Peter was de baas; had een visnetje van nylonkous en wij, Jaapie en ik, mochten mee.
Het was prachtig voorjaarsweer. Hier en daar schoten wat stekelbaarsjes door het water als onze schaduw over het water ging. Opeens stond Peter stil. Fluisterend wees hij naar een plek in het water. Ik zag eerst niks. "Kijk dan!!". En ja, daar stond roerloos een vis met vlekken op de rug. Een snoekje van ongeveer 20 cm. Snoekjes zwemmen niet, ze staan of ze schieten weg. Onze snoek stond.
Voorzichtig ging Peters netje door het water. Spanning alom!! Zou het lukken?? Het leek wel of de vis blind was; hij deed niks! Maar toen... met een rotgang flitste dat ding als een kogel weg. En.. dwars door het netje.
Was de snoek zo slim om te weten dat nylonkousen gewoonlijk ladders krijgen en met een stevige gang te forceren zijn? Snoeken zijn beesten met een simpele leefregel: 'Alles of niks'. Zo leven ze en zo eten ze. Ze eten zelfs vissen van hun eigen afmetingen. Soms gaat dat mis en stikken ze in hun eigen maaltijd.
Sommige mensen stikken ook in hun overvloed: 'Alles of niks'. Overnames of faillissementen. Eten en drinken ze zich ongans, dan wordt het niks. En wordt het 'alles' dan is er altijd nog de kans dat het noodlot een einde maakt aan hun plannen.
Soms worden succesvolle directeuren als snoekvissertjes met een kapot visnetje.

Snoek IVN Hoogeveen