Soort van de maand

September: 

Klimop - Hedera helix

De zomer is bijna ten einde, veel bloemen zijn uitgebloeid. Voor insecten wordt het steeds moeilijker om aan voedsel (nectar en stuifmeel) te komen. Maar gelukkig begint de klimop deze maand te bloeien.

  • klimop bijna in bloei

bloei klimop

De meningen zijn verdeeld...

Over klimop wordt nogal verschillend gedacht. Voor de één is het een lastpost in de tuin die zich voortdurend, letterlijk, buiten de perken begeeft.  Dat klopt: als hij één keer op dreef is, is de klimop niet meer te houden. Hij heeft een enorme groeikracht en groeit niet alleen horizontaal, maar werkt zich naar boven zodra hij een obstakel op zijn weg vindt. Een boom, een schutting (die daar trouwens meestal enorm van opknapt), een muur, niets is hem te hoog. Hij kan meer dan 12 meter klimmen. Door middel van kleine luchtworteltjes hecht hij zich vast. Maar dat hij met die worteltjes hele muren vernielt en bomen voedsel ontneemt klopt niet. Als het voegwerk van de muur in orde is zal de klimop geen schade aanrichten en zijn voeding haalt hij gewoon uit de bodem.

Anderen zijn grote pleitbezorgers voor deze wintergroene klimplant: Het is een geweldige bodembedekker en in plaats van levens nemen en schade veroorzaken, zorgt klimop juist voor meer leven in de tuin. De plant biedt een overwinteringsplek voor verschillende vlinders, insecten schuilen er en vogels vinden er nestgelegenheid en voedsel. En klimop levert dus, door zijn late bloei, in het najaar nectar en stuifmeel voor bijvoorbeeld bijen, zweefvliegen en vlinders. Als Hedera helix de hoogte ingaat en op leeftijd komt zal hij, als hij de top heeft bereikt, gaan bloeien. Eerst ontstaan er hangende (niet klimmende) bloeitwijgen met blad wat niet handvormig gelobd is, maar rond. Dan komen de bloemen. En vervolgens de bessen, die weer door vogels zoals merels en spreeuwen worden gegeten.

  • klimop als bodembedekker met 5-lobbig blad

klimop

 

  • het eironde blad aan een bloeitwijg

klimop bloeitwijg

 

  • klimop in bloei                                       foto: Ed Stikvoort

klimop bloei

  • de bessen van de klimop                        foto: Willem van Kruijsbergen

klimop bessen

  • Ook nachtvlinders bezoeken de klimop graag        foto: Vlinderstichting

vlinderstichting

 

Toch nog een minpuntje over deze wintergroene bodembedekker: Van nature komt hij veel op vruchtbare, vochtige bodems in eiken- en beukenbossen in Zuid-Limburg voor, maar kan daar de grond zo sterk bedekken dat andere soorten geen kans krijgen.

Soms zie je ook hier in Drenthe, op de armere zandgronden in houtwallen klimop in bomen groeien. Dit betekent dat de bodem ter plekke rijker is aan mineralen.

 

 

 

 

 

Augustus:   

Gewone Berenklauw - Heracleum sphondylium.

 

Exotenfoto: Reuzenbereklauw

De Berenklauw heeft een slechte naam: hij is

  • giftig,
  • je raakt hem nooit meer kwijt,
  • hij is een gevaar voor de biodiversiteit!

Al deze kenmerken betreffen de Reuzenberenklauw. De van oorsprong Aziatische plant en in de 19e eeuw geïntroduceerd in Europa als sierplant en vanuit tuinen verwilderd, zorgt voor veel overlast: Hij verspreidt zich heel snel, heeft zaad in overvloed en dat blijft ook nog eens wel 6 jaar kiemkrachtig. De plant zelf kan wel 5 jaar worden! Inheemse planten worden weggedrukt en de stengelharen kunnen bij aanraking afbreken en de huid van mens en dier  verwonden. Onder invloed van zonlicht kan het plantensap blaren op de huid veroorzaken. Met zijn lengte tot wel 300 cm en bloemschermen van wel 50 cm in doorsnee is het inderdaad een reus. Wel een hele mooie reus, ook in droge vorm. De decoratieve schermen mogen echter niet meer worden verhandeld. Het gevaar bestaat dat er nog zaad aan zit, wat heel makkelijk ontkiemt. En om dan weer van die reus af te komen valt niet mee.

Maar genoeg over die giga berenklauw.........

 

De soort van de maand augustus is de Gewone Berenklauw, Heracleum sphondylium.

Als je een wandeling maakt kom je ze nu volop tegen in ruige bermen en langs randen van bosschages. Ze lijken veel op hun reusachtige neef, maar zijn vele malen kleiner (tot 150 cm), dus vergissen is niet mogelijk. De schermen zijn veel kleiner en het blad is anders. De stengel is behaard en loopt een beetje rood aan.

blad gewone berenklauw

  • Blad van Gewone Berenklauw: aan de onderkant van de stengel gelobd, maar naar boven toe steeds scherper ingesneden. (foto Saxifraga Rutger Barendse)
  • Het bloemscherm bestaat uit allemaal kleine schermpjes en aan de randen is goed te zien dat de witte kroonblaadjes aan de buitenzijde groter zijn. De kroonblaadjes zijn zelfs ingesneden en het lijken daardoor bijna twee te zijn. Let er maar eens op.

bloemscherm gewone berenklau(foto Saxifraga Rutger Barendse)

 

habitat gewone berenklauw

  • De Gewone Berenklauw in zijn natuurlijke habitat

De Gewone Berenklauw wordt druk bezocht door vooral kevers en (zweef) vliegen. De nectar in de bloem is door de ondiepe bloembodem goed bereikbaar, dus ook voor insecten met kortere monddelen.

Insecten zorgen voor bestuiving en verzekeren de plant van nageslacht.

gewone berenklauw zaad

  • Het zaad is bol aan de buitenkant en plat aan de binnenkant en heeft twee sprietjes. Het lijkt zo wel een klein vogeltje. 

  

Als je een wandeling gaat maken zul je meer witte schermbloemigen tegenkomen zoals Wilde peen en Engelwortel:

wilde peen

  • Wilde peen, let op het wortelloof

 

 

engelwortel

  • Engelwortel heeft ook weer ander blad.

Ook beide prachtig, maar daarover een andere keer meer.

Juli:   

Jacobskruiskruid/zebrarups/Sint-jacobsvlinder

Deze maand zien de bermen en ruigtes er prachtig uit als er tenminste niet is gemaaid. Gelukkig gebeurt dit laatste steeds minder omdat er meer oog is voor het belang van biodiversiteit en het maaibeheer wordt hierop aangepast. Heel veel insecten zijn afhankelijk van wilde planten en door een goed maaibeheer kan er rekening worden gehouden met de levenscyclus van insecten (wilde bijen, vlinders en daarmee samenhangend rupsen en poppen...)

Grote groepen Jacobskruiskruid vallen nu door hun gele kleur extra op. Jacobskruiskruid is een tweejarige plant, wat inhoudt dat het eerste jaar een rozet wordt gevormd en

jacobskruiskruiddat het jaar erna de plant pas gaat bloeien.

biodiversiteitAls je wat beter kijkt naar Jacobskruiskruid zie je dat elk bloemhoofdje een krans heeft van meestal 13 gele lintbloemen. Binnenin groeien tientallen buisbloemen.

jacobskruiskruid13 lintbloemen (de gele bloemblaadjes)

Na de bloei vormt Jacobskruiskruid zaad (met pluis) wat meegevoerd wordt door de wind. De plant sterft hierna af. Onder gunstige omstandigheden (genoeg neerslag, open plekken) kan het zaad kiemen en een wortelstelsel vormen. Als alles meezit vormt de plant een rozet en na de winter of nog een jaar later gaat de plant bloeien en begint alles opnieuw.

Mooi verhaal, maar ik hoor sommige mensen denken: Die plant is toch giftig?

Dat klopt in zekere zin: Jacobskruiskruid bevat alkaloïden. In grote hoeveelheden kan dat giftig zijn voor vee, vooral voor koeien en paarden. Schapen en geiten kunnen er beter tegen. Dieren zijn slim: door de sterke bittere geur en smaak lopen koeien en paarden er met een grote boog omheen. Maar in gedroogde vorm (hooi) kunnen ze het onderscheid blijkbaar niet meer maken. Het gif stapelt zich op in de lever en na maanden, soms pas na jaren worden ze ziek en kunnen zelfs sterven. Maar vers Jacobskruiskruid wordt dus door vee gemeden!

Niet voor alle dieren is Jacobskruiskruid giftig. Integendeel: sommige insectensoorten hebben juist die betreffende alkaloïden voor hun stofwisseling nodig.

Als je deze maand naar Jacobskruiskruid kijkt heb je grote kans om de in het oog springende zebrarups te ontdekken. Hij vreet zich dik en rond en laat soms alleen de stengel van de plant staan. Alkaloïden? Geen probleem!

jacobskruiskruidEen pláátje: Jacobskruiskruid met zebrarups

Tenminste niet voor de rups zelf. Het gif wordt opgeslagen en is juist een goed verdedigingsmechanisme voor de rups. Vogels worden door de 'wespachtige' verschijning al afgeschrikt, maar als ze de zebrarups toch eten voelen ze zich daarna niet zo lekker, zo is onderzocht. Dus waarschijnlijk één keer maar nooit weer... Voor de plant hoeft de rupseninvasie niet het einde te betekenen: Jacobskruiskruid heeft een heel sterk herstelvermogen.

Als de zebrarups z'n buikje rond heeft gegeten en een aantal keren is verveld laat hij zich vallen en overwintert als pop in de grond, om in april of later in de zomer te veranderen in een prachtige vlinder: 

vlinderDe Sint-jacobsvlinder (rechten: Vlinderstichting Ab H. Baas)

Deze opvallende verschijning (alles behalve geel) kun je overdag zien vliegen, maar is een nachtvlinder, een dagactieve nachtvlinder. Ook de Sint-jacobsvlinder is (via de rups) giftig voor zijn vijanden. Nadat de verse vlinder is uitgeslopen moet hij drogen en op krachten komen. Hij voedt zich met nectar en vervolgens wordt er zo snel mogelijk gepaard. Het vrouwtje zoekt daarna een geschikte plek om haar eitjes af te zetten.

En die geschikte plek is: Jacobskruiskruid!

 

Juni:   

Grote Brandnetel 

Lang leve de Grote Brandnetel!

 

grote brandnetel

Niet iedereen is blij met de brandnetel. Voorzichtigheid is geboden als je er bij in de buurt komt. Als je hem toch aanraakt dan ga je dat naderhand voelen: op je huid verschijnen rode jeukende bulten. Maar ach, dat is van korte duur en even een gekneusd blad van de smalle (!) weegbree (recept van mijn vader) over de zere plek wrijven en je bent zo van het brandende gevoel verlost.

De Grote Brandnetel, een meerjarige plant, groeit op stikstofrijke grond in dichte zoden en is dus een goede stikstof indicator. Waar de grond rijk is aan mest en waar wat verstoring optreedt, daar komt de brandnetel tevoorschijn: In akkerranden, braakliggende gronden, mesthopen, rijke vochtige bermen.

Niet echt een schoonheid....

De Grote Brandnetel heeft een min of meer vierkante stengel en driehoekig blad met een kartelrand. Op de stengel en op het blad komen gewone haren en de reeds genoemde brandharen voor. Hij kan gemakkelijk 2.00 m. of meer worden. De bloei is niet uitbundig, maar het is wel de moeite waard om de bloem wat beter te bekijken. Er zijn namelijk mannelijke en vrouwelijke brandnetels!

Latrelatie

Je kunt het verschil in sekse zien aan de bloeiwijze. De mannetjes hebben meeldraden en de hangende bloeiwijzen lijken een beetje op katjes. Zij zijn de bestuivers. Wanneer de mannelijke bloemen openspringen wordt het stuifmeel door de helmhokjes omhoog geschoten.

bloem brandnetel

De vrouwtjes hebben de bloemen meer in kluwens. Ze zijn witter van kleur. Als je goed kijkt zie je de stempels uitsteken die het stuifmeel uit de lucht opvangen. Zo vindt de bevruchting plaats: door de wind. Ze hebben dus een soort latrelatie, sterker nog: ze kunnen allebei thuis blijven!

brandnetelInteressant allemaal, maar de Grote Brandnetel is waarschijnlijk niet een plant die je een prominente plek in je tuin wilt geven. Maar als ze ergens achteraf staan zou je ze moeten laten staan! Zo'n 30 tot 40 soorten insecten zijn namelijk volledig afhankelijk van de brandnetel. Voor 100 soorten is deze plant belangrijk. Er komen ongeveer 50 vlindersoorten op voor en Atalanta, Dagpauwoog, Kleine vos, Gehakkelde aurelia, enkele uiltjes en het Landkaartje zijn er zelfs helemaal van afhankelijk.

Zonder brandnetel kunnen ze zich niet voortplanten. Ze leggen de eitjes op de plant en de rupsen eten het stikstofrijke blad.

Door die rupsen worden weer vogels aangetrokken. Nachtegalen en Bosrietzangers broeden zelfs graag tussen brandnetels!

Dus wil je de biodiversiteit een handje helpen? Laat de brandnetels in je tuin staan!

De vlinderstichting heeft nog een andere oplossing: zet een brandnetel in een bloempot. en kijk eens wat er gebeurt. Op deze link kun je het verhaal lezen.

atalanta

 

Mei:   

Gierzwaluw - Apus Apus

AdG

foto: Vogeldagboek.nl

APUS APUS, WELKOM!

Als je vogelaar bent begint het in januari al te kriebelen. Verschillende zangvogels laten van zich horen. Heerlijk, het wordt voorjaar!! In maart wordt het écht feest: dan arriveren de zomervogels, die in warme streken overwinteren, maar zich bij ons voortplanten.

Een van die zomervogels is de Gierzwaluw (Apus Apus). De van oorsprong bewoners van oude binnensteden hoor je in de zomer vaak hoog in de lucht of laag door de straten gieren. Onvermoeibaar vliegend met hun prachtige sikkelvormige vleugels. De gierzwaluw, die eigenlijk geen zwaluw is, vliegt bijna zijn/haar hele leven. Ze slapen, eten insecten, drinken en paren tijdens de vlucht.

De volwassen mannetjes komen eind april als eersten in Nederland terug en zoeken snel hun oude nestplaats op. De vrouwtjes komen vaak later en vliegen ook naar die bekende plek. Daar ontmoeten de vogels, die paartrouw zijn, elkaar weer. Ze verzorgen samen het nest en poetsen elkaars veren, voeren baltsvluchten uit, paren en midden mei legt het vrouwtje 2 of 3 eieren. De eieren worden drie weken bebroed door man én vrouw en de jongen worden daarna zes ! weken gevoerd  in het nest. De verzorging van de jongen op het nest duurt lang omdat de vogels sterk moeten zijn voordat ze het nest verlaten. In het nest doen ze oefeningen om zich voor te bereiden op de grote reis.

Het is eind juli als de nestverlaters, soms samen met oudere vogels, vrijwel onmiddellijk aan de 7000 km lange, gevaarlijke tocht naar zuidelijk Afrika beginnen, waar ze midden september (tot eind november) aankomen. De jonge vogels zullen de eerstvolgende twee, drie jaar blijven vliegen omdat ze nog niet geslachtsrijp zijn.  

Begin augustus zijn vrijwel alle gierzwaluwen uit Nederland vertrokken. Ze zijn hier dan zo'n 100 dagen geweest. Vandaar dat de gierzwaluw ook wel de '100 dagen vogel' wordt genoemd. De niet-broedende vogels zijn al eerder vertrokken. Gedurende onze herfst en winter verblijven ze dus in Afrika, ver voorbij de evenaar. Ze volgen de natte moesson (regentijd) om aan hun insectenvoedsel te komen. Deze tijd wordt gebruikt om te ruien. Het oude verenpak wordt (ook vliegend) vervangen.

Dat sommige gierzwaluwen niet broeden komt door hun leeftijd (nog niet geslachtsrijp) óf door het ontbreken van geschikte nestgelegenheid. Waar vind je hier nog bouwvallen met gaten en spleten in muren of scheefliggende dakpannen. Voor de gierzwaluw zijn dat dé geschikte plekken om een nest te maken. Daarom is het belangrijk dat wij ze een handje helpen. Tegenwoordig worden in sommige nieuwbouwprojecten neststenen ingemetseld, maar wij kunnen zelf ook iets doen.

Als je er een geschikte plek voor hebt, genoeg hoogte (minstens vier meter) en niet teveel obstakels in de buurt van de invliegopening,  is het goed om een paar gierzwaluwnesten op te hangen. Wees niet bevreesd voor rommel, ze poepen ook in de vlucht... Het is leuk om zo'n kast zelf te maken. Voorbeelden vind je op deze site.

gierzwaluw jongfoto: Tinus Knegt