Column 2017-45 Een gaatje in de hemel

Veldleeuwerik

Mijn neefjes op de boerderij vuurden met hun buks op alles wat vloog, bij voorkeur op kraaien, en het frustreerde ze mateloos dat ze nooit iets raakten. Ze vonden dat ik het als stadsjongetje ook maar eens moest proberen en omdat ik geen zin had op kraaien te schieten, richtte ik recht omhoog, op een stipje boven me in de lucht. ‘Dat raak ik toch nooit,’ dacht ik. Terwijl om me heen weidevogels een luidruchtig concert opvoerden, drukte ik af. Een harde knal, een hapering in de kakofonie, een plofje in het gras. De neefjes staarden me sprakeloos aan en raapten het doorboorde lijkje op. Het was de eerste keer dat ik een veldleeuwerik van dichtbij zag. Iets groter dan een mus, vergelijkbare kleuren en grote bruine ogen die me dof aanstaarden. Zijn kuifje hing er slapjes bij.  Het ergste vond ik de rode druppels die uit het snaveltje sijpelden, als zichtbare laatste tonen van zijn in bloed gesmoorde lied.

Een lente zonder merelgezang, niet zo denkbeeldig overigens, zou als een onaanvaardbaar verlies worden beschouwd. Op ons platteland heeft zich iets vergelijkbaars al voorgedaan. Ooit krioelde het er van de veldleeuweriken die hoog in de lucht hun minutenlange liedjes al fladderend en draaiend ten gehore brachten. Inmiddels hebben degenen die zich dit nog herinneren de midlifecrisis er allang opzitten. Sinds mijn fatale schot is het aantal veldleeuweriken met maar liefst 95% afgenomen. Alsof het een startschot was! Gelukkig stabiliseert hun aantal zich op de resterende 5% en is er in de herfst een kleine opleving als Scandinavische vogels hier op doorreis zijn. Zangvluchten voeren ze dan helaas niet uit, maar soms moet je tevreden zijn met wat je nog hebt.

Het is een eentonig en somber verhaal, ook de veldleeuwerik is slachtoffer van de intensieve landbouw. Op insectenarme velden die te vroeg en te vaak worden gemaaid weet de  op de grond nestelende veldleeuwerik onvoldoende nageslacht groot te brengen. Duizenden jonge veldleeuweriken  worden jaarlijks letterlijk neergemaaid. Dat is andere koek dan baldadige jongetjes met een buks! En dan worden ze ook nog illegaal bejaagd in landen rond de Middellandse Zee,  waar men ze als delicatesse beschouwt.

Dit voorjaar hoorde ik voor het eerst in jaren weer een veldleeuwerik zingen. In de Bovenkerkerpolder. Hoog boven me zag ik het stipje. Het was of er een gaatje in de hemel zat waardoor vergeten klanken omlaag dwarrelden.

Jaap Kranenborg

Digitale krantversie Column 2017-45, 8 november 2017, pagina 6

Naar Columns 2017