Column 2016-35 Turkse tortels

              
In deze tijd van het jaar hebben we geen wekker nodig om te ontwaken. We worden gewekt met vogelgezang. Leuk, denk je nog in het begin, echt natuur. Maar na een aantal weken heb je de neiging om de ramen te sluiten of een schoen richting vogel te gooien. 

Helaas zitten de tortelduiven, want daar gaat het over, boven ons hoofd op de dakkapel. Buiten ons zicht en ons bereik, maar dicht bij onze oren. Het eentonige slome gezang gaat de hele dag door en wordt  beantwoord door een soortgenoot; dus dubbel plezier. Roe Kóé Koe. Vrij vertaald:
"Ik groet u". Dat is dan weer wél mooi. 

Overdag kunnen we genieten van de balkonscène. Een tortelend paar op de rand. Poetsen, zoenen en kopjes geven, gevolgd door baltsvluchtjes.
De doffer vliegt daarbij met klapperende vleugels omhoog en met gespreide vleugels en staartveren zwiert hij weer omlaag naar zijn geliefde duivinnetje. De liefde tussen de tortelduifjes is levenslang. 

Meerdere malen per jaar legt zij twee eieren. Tortelduiven zijn slordige ouders, want de nestjes zijn niet veel meer dan wat in elkaar geflanste twijgjes. Bij een beetje wind waaien de eieren of de jongen eruit. Onvermoeibaar beginnen ze dan weer aan een nieuw nest. Zijn de jongen geboren dan worden ze gevoed met kropmelk. Beide ouders produceren deze eiwit- en vetrijke vloeistof in hun krop. Na een paar dagen schakelen ze over op vaster voedsel dat eerst nog in de krop van een van beide ouders geweekt wordt. Later gaan ze over op graan, fruit, rupsen en torretjes.

Behalve een val uit het nest wordt het nageslacht ook bedreigd door predatoren zoals gaaien en eksters. Beide ouders doen hun uiterste best om deze roofvogels te verjagen. Onlangs had een paartje een nest gebouwd in de hulst boven onze brievenbus. Vermoedelijk wilden ze dat hun jongen tot postduiven zouden opgroeien. Misschien was dat te hoog gegrepen, want het nest was ineens verdwenen. 

Deze kleine duifjes zijn eigenlijk heel mooi. Slank en gekleed in een gedistingeerd beige pak met een eenvoudig zwart-wit kettinkje om de nek. Een kleine zwarte snavel en heldere ogen. Ze wonen nog niet zó lang in Nederland. Omstreeks 1935 zijn ze vanuit Turkije over Europa uitgezwermd. Hier vonden ze, in de omgeving van mensen, voortreffelijk voedsel. Reden om te blijven.

Wij zijn daar ook wel een beetje blij mee. We kunnen ze toch niet meer missen? 

Gerda Veth
IVN- natuurgids

Digitale krantversie Column 2016-35, 310816, pagina 10

Naar Columns 2016