Column 2016-23 Onder moeders paraplu

IVN DRVU - Column Natuur Dicht Bij HuisTijdens één van onze vakanties op Vlieland belandden we in een hoosbui. Schuilen onder de paraplu. We stonden amper of er renden tien jonge bergeendjes op ons af en doken ook onder de paraplu tussen onze schoenen.

Na de bui liepen ze weer weg. Ze moesten op weg naar zee een verkeersweg oversteken. Niet ongevaarlijk. We hadden visioenen van platgereden pulletjes en wilden ze wel overzetten in de omgekeerde paraplu. Even snel als we ze in de paraplu stopten, wipten ze er weer uit. Toen klonk ineens het "tjoek tjoek...." van de moedereend uit het bos en alle tien kuikentjes spurtten naar mams en verdwenen met haar tussen de bomen.

Bergeenden woonden tot halverwege de vorige eeuw voornamelijk aan de Waddenzee en de Zeeuwse wateren. Er was daar voldoende voedsel.
Ze snorkelden door het slik om kleine waterdiertjes uit de modder te zeven en grondelden in ondiep water. Ze nestelden in de duinen, meestal in een verlaten konijnenhol. Omdat dat nest zo verstopt lag, was een schutkleur voor háár overbodig. Predatoren zagen haar niet broeden.

Zodra de jongen uit het ei kwamen, werd direct de weg naar zee ondernomen. Soms moesten de pulletjes wel een paar kilometer lopen voor ze het water bereikten. Een hachelijke onderneming waar veel gevaren op de loer lagen. Soms bleven er van vijftien eieren maar twee eendjes over. Door de teruggang in de konijnenstand, kwamen er ook minder holen beschikbaar. De eenden gingen verder de binnenlanden in en vonden nestgelegenheid in dicht struikgewas. Wél in de buurt van voedsel.

Ook in sloten, vaarten en plassen in De Ronde Venen, kun je de gansachtige eenden regelmatig aantreffen. Ze vallen op door hun grootte en hun kleurenpatroon, unisex; een zwart-groene kop, een wit lijf met bruine en zwarte banden. Hun snavel is opvallend rood. De man heeft een extra snavelknobbel.

Als de pulletjes het water bereikt hebben, worden ze in grote groepen bijeengedreven en aan de zorg van 'tantes' toevertrouwd. De ouders vertrekken naar een veilig onderkomen op het wad, vooral in de 'Duitse Bocht' om extra te foerageren en om te ruien. Ze verliezen al hun vleugel- en staartpennen en kunnen vier weken niet vliegen. Maanden later hebben ze weer een prachtkleed en kunnen ze elkaar opnieuw het hof maken.

Of alle eendjes, toen op Vlieland, de oversteek naar zee uiteindelijk gered hebben, zijn we nooit te weten gekomen.      

Gerda Veth
IVN-natuurgids

Digitale krantversie Column 2016-23, 080616, pagina 4

Naar Columns 2016