Column 2013-14 Op zoek naar de lente

IVN DRVU - Column Natuur Dicht Bij HuisBegin april een column over natuur schrijven, dat moet natuurlijk over de lente gaan. Maar na een maart die zijn staart roert, valt het met die lente nog bar tegen. Door het raam kijkend zag ik al wel twee Turkse Tortels hun reputatie hoog houden door op een tak eerst wat te flikflooien en vervolgens met goede moed een begin te maken met nieuw nageslacht.

Op een zaterdagmorgen ga ik Waverhoek verkennen in vrolijke lentekledij: drie lagen dik, warme das en jas en niet te vergeten dikke handschoenen en dito muts. Leunend tegen de straffe oostenwind zie ik een arme soepgans (zo’n grote witte met oranje snavel) op zijn nest liggen, te midden van het ijs. De hals van de gans ligt als dood gedrapeerd op de grond, bult-af, om zo min mogelijk wind te vangen. De moedige gans hoopt natuurlijk op een spoedige weersomslag maar het wordt nog minstens anderhalve week bikkelen in deze barre kou.

Als ik een week later terugkom, (nog steeds veel te koud maar nu schijnt tenminste het zonnetje en is de wind wat geluwd) zie ik op het pad al dat de lente te laat kwam. Er ligt een leeg gegeten ganzenei en het nest is verlaten.

Deze zaterdag ben ik eigenlijk op zoek naar een zomergast die rond deze tijd ons land moet binnentrekken: de rietgors. Doorgaans zit het beestje hoog in het riet, zijn pootjes stevig om de stengel geklemd en zingt hij uit volle borst een lied dat hij zelf zo te horen prachtig vindt maar wat in onze oren toch wat hortend en stotend klinkt. Maar helaas, geen rietgors te horen of te bekennen.

Gelukkig is mijn wandeling niet vergeefs, want er is genoeg moois te zien. Zo zitten er bijvoorbeeld wintertalingen (zie bovenstaande foto), de kleinste eendensoort in ons land. Een prachtig beestje met een schitterende tekening. Roestbruine scalp en wangen, met daartussen rond de ogen en naar de nek een diepgroene penseelstreek afgewerkt met een flinterdun wit lijntje.

Op het lijf aan de zijkant heeft hij een opvallende witte streep met daaronder een zwart veeg. Daaronder, boven de waterspiegel lijkt het grijs, maar is het in feite een ragfijn lijnenspel van wit en zwart. Om het geheel af te maken heeft hij nog een fraaie zachtgele vlek bij zijn stuit.

Ook slobeenden dobberen rond. Een vreemde naam, totdat je zijn snavel ziet: een stevige, iets te grote snavel die aan het eind wat breder uitloopt (net als bij de lepelaar). Ideaal dus om het water mee af te slobberen.  

Nee, het wil bepaald nog niet zomeren maar als je een beetje rondkijkt, is er altijd wel wat moois te zien.

Sep Van de Voort
IVN-natuurgids 

Digitale krantversie Columns 2013-14, 030413, pagina 8

Naar Columns 2013