Column 2013-02 Thuisbiotoopjes

IVN DRVU - Column Natuur Dicht Bij Huis
Er wordt nogal eens gesteggeld over de natuur. De verschillende meningen brengen velen in verwarring en vele vragen komen voorbij. Hoe richten wij dat natuurgebied in? Wel of niet beheren? Wel of niet openstellen voor publiek? Wel of geen Ecologische Hoofd Structuur? Fuseren van natuurorganisaties?  Welke, en zo ja hoeveel dieren mogen er over een ecoduct? Gelukkig hoeven wij dichtbij huis die problemen niet te hebben. Wij maken gewoon onze eigen biotoopjes.

Vele mensen voeren vogels en al die voerplekjes zorgen samen voor een structuur waarvan veel vogels profiteren. En het levert veel kijkplezier op. Zeker in de winter als er noordelingen op bezoek komen. Tussen de bekende vogels die je het hele jaar door in de tuin kan verwachten, tref je dan ineens een keep aan (zie foto).

De keep is een soort in de grote vinkenfamilie. De vorm en het formaat wijken niet af van de vink maar de keep is goed te herkennen aan het prachtige oranje van de keel en borst en het oranje in de vleugels. Niet zo gek dat vroeger de naam oranjevink werd gebruikt. Jan P. Strijbos noemt in zijn boekje 'Hoe heet die vogel' uit 1927 de oude volksnaam bergfink. Dat is nog steeds de Duitse naam en ook in de Latijnse naam vinden we de berg terug: Fringilla montifringilla.

Geïnteresseerd in oude namen? Ga maar eens naar de website Etymologiebank.nl; (zoeken naar de herkomst van woorden), typ keep in en krijg vele wetenswaardigheden.

Er zijn meer kleurverschillen met de vink zoals de witte buik en stuit.
De kleuren van het mannetje en het vrouwtje zijn in de winter bijna gelijk maar het mannetje is wat helderder gekleurd. In de zomer is het grote verschil de fraaie glanzend zwarte kop van het mannetje. Apart is dat de snavel van het mannetje in de winter geel is met een donkere punt en dat die snavel in de zomer helemaal zwart is. Maar helaas de keep is in de zomer in Nederland maar met enkele exemplaren vertegenwoordigd.

De vogel maakt verschillende geluiden maar dankt zijn Nederlandse naam aan een eentonig, wat hees klinkend, 'kéép'. Vooral in boomrijke gebieden kun je de keep ’s winters aantreffen, vaak samen met vinken. Meestal trekt een jaar met veel beukennootjes meer kepen aan.

Bij ons in het veenweidegebied komt hij minder maar er is kans om hem te zien op je eigen voerplek. Zeker als de bodem bedekt is met sneeuw. Succes met het eigen biotoopje.

Bert Fakkeldij
IVN-natuurgids

Digitale krantversie Column 2013-02, 090113, pagina 3

Naar Columns 2013